HomeGoniometrie › Voorschrift opstellen

Het voorschrift van een sinusoïde opstellen

Een golvende grafiek ziet er ingewikkeld uit, maar achter elke sinusoïde zitten maar vier getallen. Lees ze één voor één af en het voorschrift schrijft zichzelf.

Wat is een sinusoïde?

Een sinusoïde is een grafiek in de vorm van een golf die zich steeds op dezelfde manier herhaalt. Je komt ze overal tegen: de waterhoogte bij eb en vloed, de temperatuur door het jaar heen, de hoogte van een zitje in een draaiend reuzenrad. Al die golven kun je beschrijven met een formule waar sinus of cosinus in zit.

Een voorschrift is gewoon de formule die bij een grafiek hoort, zoals y = x² het voorschrift van een parabool is. "Het voorschrift opstellen" betekent dus: je krijgt een grafiek (of een verhaaltje met getallen) en jij vindt de formule die daar precies bij past. Het goede nieuws: daar bestaat een vast recept voor, want elke sinusoïde wordt volledig bepaald door maar vier getallen.

De vier variabelen van een sinusoïde

Elke sinusoïde kun je schrijven in de standaardvorm y = a + b·sin(c(x − d)). De letters a, b, c en d zijn de vier getallen die samen de golf vastleggen. Zo lees je ze af uit een grafiek:

Probeer het zelf: schuif aan de vier variabelen en kijk wat er met de grafiek gebeurt. (Weten waar die sinus eigenlijk vandaan komt? Lees De eenheidscirkel & exacte waarden.)

voorschrift: c = periode =

Het groene punt is het startpunt van de golf: daar wijst d naartoe. Schuif d ook eens naar links (negatief): dan krijg je sin(x + …). De cosinus-knop leggen we verderop op de pagina uit.

💡 Het startpunt: de stijgende doorgang

Het punt waar de grafiek omhoog door de evenwichtslijn gaat, heet een stijgende doorgang: de golf komt uit een dal, kruist de middenlijn en klimt door naar de top. Een gewone sinus heeft zo'n stijgende doorgang in de oorsprong; dat is zijn startpunt.

Daarom lees je d altijd af bij een stijgende doorgang. Niet bij een top, en ook niet bij een punt waar de grafiek omlaag door de evenwichtslijn gaat (een dalende doorgang): daar start een gewone sinus nooit.

⚠️ Waar het misgaat

De twee fouten waarmee bij dit onderwerp de meeste punten verdwijnen:

1. c is níét de periode. Veel leerlingen lezen een periode van π af en vullen dan c = π in. Maar c vertelt hoeveel golven er in 2π passen: c = periode. Een periode van π betekent dus c = 2.

2. De amplitude is niet de hoogte van de top. b is de afstand van de evenwichtslijn tot de top, niet de afstand van de x-as tot de top. Bij een maximum van 3 en een minimum van −1 ligt de evenwichtslijn op 1, dus is de amplitude 2, niet 3.

📋 Het stappenplan

  1. Evenwicht: lees het maximum (de y-waarde van een top) en het minimum (de y-waarde van een dal) van de grafiek af. Het evenwicht ligt daar precies tussenin: a = max + min2. Teken de evenwichtslijn meteen in de figuur, dan zie je de rest vanzelf.
  2. Amplitude: b = max − a, de afstand van de evenwichtslijn tot een top.
  3. Periode: meet langs de x-as hoe lang één volledige golf duurt: van een top tot de eerstvolgende top, van een dal tot het eerstvolgende dal, of van een stijgende doorgang tot de eerstvolgende stijgende doorgang. Dat is overal even lang. Vul de periode daarna in: c = periode.
  4. Verschuiving: zoek een punt waar de grafiek stijgend door de evenwichtslijn gaat; de x-coördinaat van dat punt is d.
  5. Controleer: de top hoort te liggen bij x = d + 14·periode. Klopt dat met de figuur?

Uitgewerkte examenopgave

In de figuur zie je een sinusoïde. Stel het voorschrift op in de vorm y = a + b·sin(c(x − d)).

De gestippelde lijnen zijn het maximum, het evenwicht en het minimum. De groene punten zijn stijgende doorgangen, het blauwe punt is een top. De rode pijl is de amplitude, de oranje pijl is één periode.

Stap 1: het evenwicht. Zoek het hoogste en het laagste punt van de golf. De toppen liggen op hoogte 3 (de bovenste stippellijn, het maximum) en de dalen op hoogte −1 (de onderste stippellijn, het minimum). Het evenwicht ligt daar precies tussenin:

a = 3 + (−1)2 = 1 (de grijze middenlijn in de figuur ligt op hoogte 1)

Stap 2: de amplitude. Vanaf de evenwichtslijn (hoogte 1) is het 2 omhoog naar een top (hoogte 3). Dat is de rode pijl in de figuur:

b = 3 − 1 = 2 (max − a, dus níét de 3 van de top zelf)

Stap 3: de periode. De grafiek gaat stijgend door de evenwichtslijn bij x = 14π en doet dat daarna voor het eerst opnieuw bij x = 114π (de twee groene punten). Eén volledige golf duurt dus π: de oranje pijl. Pas op: die π is de periode, nog niet c. Die reken je uit:

periode = 114π − 14π = π, dus c = π = 2

Stap 4: de verschuiving. Bij x = 14π gaat de grafiek stijgend door de evenwichtslijn (het eerste groene punt). Daar ligt het startpunt van de golf:

d = 14π

Alles invullen in y = a + b·sin(c(x − d)) geeft het antwoord:

y = 1 + 2 sin(2(x − 14π))

🔎 Controle (stap 5)

Een kwart periode na het startpunt hoort een top te liggen: x = 14π + 14·π = 12π. En inderdaad: de figuur heeft een top in (12π, 3), het blauwe punt. ✓

En met cosinus?

Sinus en cosinus zijn precies dezelfde golf; ze starten alleen op een andere plek. Een sinus start op de evenwichtslijn, op weg omhoog. Een cosinus start bovenaan, op een top, want cos(0) = 1. De cosinus loopt daardoor een kwart golf vóór op de sinus. In formulevorm: cos(x) = sin(x + 12π), een van de translatieformules van Formules herleiden. Schuif de grafiek van sin(x) een afstand 12π naar links en je krijgt precies cos(x). Probeer het maar in de widget hierboven: zet sinus om naar cosinus en kijk hoe het groene startpunt naar de top springt terwijl de golfvorm hetzelfde blijft.

Voor het voorschrift verandert er daardoor maar één ding. a, b en c bepaal je exact hetzelfde, alleen kijk je voor d niet naar een stijgende doorgang maar naar een top: d is de x-coördinaat van een top. De figuur hierboven heeft een top in (12π, 3), dus:

y = 1 + 2 cos(2(x − 12π)) (zelfde a, b en c; d wijst nu naar de top)

Twee formules, één grafiek: allebei volledig goed.

💡 Zo kies je tussen sinus en cosinus

Meestal schrijft de opgave niet voor welke vorm je moet gebruiken; een sinusvorm en een cosinusvorm zijn dan allebei goed. Kies daarom wat het makkelijkst afleest:

Kun je van een top de x-coördinaat precies aflezen? Of zegt de opgave wanneer iets maximaal is ("om 4:00 uur is het water het hoogst")? Kies dan cosinus: d is gewoon de plek van die top.

Kun je juist een stijgende doorgang precies aflezen (een punt waar de grafiek omhoog door de evenwichtslijn gaat)? Kies dan sinus.

Staat er expliciet "stel een voorschrift op met sinus" (of met cosinus)? Dan gebruik je natuurlijk die vorm.

🎯 Meer dan één goed antwoord

Een golf herhaalt zichzelf, dus er zijn oneindig veel punten die je als startpunt kunt nemen. Schuif je d een hele periode op (of twee, of drie, …), dan land je op het volgende startpunt en krijg je exact dezelfde grafiek. In formulevorm: elke d + k·periode is goed, waarbij k een geheel getal is: k = 1, 2, 3, … of negatief, k = −1, −2, …

Voorbeeld: bij de examenopgave hierboven vonden we d = 14π, met periode π. Maar de grafiek gaat óók stijgend door de evenwichtslijn bij x = 14π + π = 114π (het tweede groene punt in de figuur). Dus y = 1 + 2 sin(2(x − 114π)) beschrijft precies dezelfde golf en is net zo goed. Ook een cosinusvorm van dezelfde golf is goed. Op het examen wordt élk voorschrift goedgekeurd dat bij de grafiek past, tenzij een vorm is voorgeschreven.

Zelf oefenen

Eerst zelf proberen, dan pas uitklappen, anders leer je alleen dat je het kunt lézen.

Opgave 1. Een sinusoïde heeft maximum 5 en minimum 1. De periode is 4π en bij x = π gaat de grafiek stijgend door de evenwichtslijn. Stel het voorschrift op.

a = 5 + 12 = 3 (precies midden tussen max 5 en min 1)

b = 5 − 3 = 2 (van de evenwichtslijn naar een top)

c = = 12 (2π gedeeld door de periode)

d = π (daar gaat de grafiek stijgend door de evenwichtslijn)

y = 3 + 2 sin(12(x − π))

Controle: de top hoort bij x = π + 14·4π = 2π te liggen, op hoogte 3 + 2 = 5. Zo ziet de grafiek eruit:

Groen punt: de stijgende doorgang bij x = π (dat is d). Blauw punt: de top een kwart periode later, bij (2π, 5). ✓

Opgave 2 (context). In een haven golft de waterhoogte mee met het getij. Om 4:00 uur is het water op zijn hoogst: 250 cm. Op het laagste punt is de hoogte 50 cm. De periode is 12 uur. Stel een formule op voor de hoogte h in cm, met t de tijd in uren na middernacht.

a = 250 + 502 = 150 (midden tussen hoog en laag water)

b = 250 − 150 = 100   en   c = 12 = 16π

De opgave vertelt wanneer het water maximaal is (t = 4). Een top aflezen betekent: cosinus kiezen, met d op die top. Dat is hier dus het snelst:

h = 150 + 100 cos(16π(t − 4))

Wil je toch een sinus? De stijgende doorgang zit een kwart periode vóór de top: t = 4 − 3 = 1, dus h = 150 + 100 sin(16π(t − 1)). Allebei goed.

De waterhoogte over één etmaal: hoog water (250 cm) om 4:00 en 16:00 uur (blauwe punten), laag water (50 cm) om 10:00 en 22:00 uur.

Opgave 3 (van grafiek naar voorschrift). Hieronder zie je een sinusoïde. Lees max, min, periode en een stijgende doorgang af uit de figuur en stel het voorschrift op.

Klik hier voor de uitwerking van opgave 3.

De toppen liggen op hoogte 1 (bij x = π en x = 3π) en de dalen op hoogte −3 (bij x = 0, x = 2π en x = 4π). Dus:

a = 1 + (−3)2 = −1   en   b = 1 − (−1) = 2

De periode lees je af van top tot top: van x = π naar x = 3π is 2π. Dan is c = = 1.

Voor d zoek je een stijgende doorgang: bij x = 12π gaat de grafiek omhoog door de evenwichtslijn (hoogte −1). Pas op: bij x = 112π kruist de grafiek de evenwichtslijn ook, maar dálend; die x mag je niet als d gebruiken.

y = −1 + 2 sin(x − 12π)

Liever cosinus? d wijst dan naar een top, bijvoorbeeld die bij x = π: y = −1 + 2 cos(x − π). En d = 212π (de stijgende doorgang één periode verder) mag óók: allemaal dezelfde grafiek.

Heb je het voorschrift staan en moet je daarna uitrekenen wanneer de sinusoïde een bepaalde waarde bereikt? Dat is een goniometrische vergelijking: gebruik het stappenplan van Goniometrische vergelijkingen oplossen.

Sinusoïden als trilling: trillingstijd en frequentie

Een harmonische trilling is gewoon een sinusoïde, maar dan met de tijd op de horizontale as: een massa aan een veer die op en neer wipt, een slinger, of de luchtdruk bij een zuivere toon. Alles wat je hierboven leerde geldt nog steeds; er komen alleen twee woorden bij.

💡 Twee nieuwe woorden

De trillingstijd T is de tijd van één volledige trilling (in seconden). Dat is precies de periode van de sinusoïde, alleen heet hij bij trillingen zo.

De frequentie f is het aantal trillingen per seconde (in hertz, Hz). Dat is precies het omgekeerde van de trillingstijd:

f = 1T   en   T = 1f

En de c uit je voorschrift y = a + b·sin(c(t − d)) volgt daar zo uit, want c is altijd 2π gedeeld door de periode:

c = T = 2π·f

Een massa aan een veer trilt met een frequentie van 2 Hz. De uitwijking gaat van −3 cm tot +3 cm. Op t = 0 is de massa in de evenwichtsstand en beweegt omhoog. Stel een formule op voor de uitwijking u (in cm) als functie van de tijd t (in s).

De trilling u = 3 sin(4π t). Eén volledige trilling (de oranje pijl) duurt de trillingstijd T = 0,5 s; in 1 seconde passen er dus 2, precies de frequentie.

Stap 1: a en b. De uitwijking slingert tussen −3 en 3, symmetrisch rond 0. Dus het evenwicht a = 0 en de amplitude b = 3.

Stap 2: c uit de frequentie. Eerst de trillingstijd: T = 1f = 12 = 0,5 s. En dan c = 2π·f = 2π·2 = 4π (of net zo goed c = T = 0,5 = 4π).

Stap 3: d. Op t = 0 gaat de massa stijgend door het evenwicht, precies zoals een gewone sinus start. Dus d = 0.

Alles invullen in u = a + b·sin(c(t − d)) geeft:

u = 3 sin(4π t)

⚠️ Waar het misgaat

1. Trillingstijd en frequentie verwisselen. Ze zijn elkaars omgekeerde, niet hetzelfde. Hoe hóger de frequentie, hoe kórter de trillingstijd. Een toon van 440 Hz trilt 440 keer per seconde, dus één trilling duurt maar 1440 s.

2. c gelijkstellen aan de frequentie. c is niet f, maar 2π·f. Die factor 2π vergeten maakt je hele formule fout.

Kom je er niet uit?

Aflezen, schuiven en spiegelen: bij sinusoïden komt alles van goniometrie samen. Ik geef bijles in wiskunde B: online, of in overleg bij jou thuis. De eerste kennismaking is gratis.

Plan een gratis kennismaking