HomeMeetkunde › Parametervoorstellingen

Parametervoorstellingen van een lijn en een cirkel

Een vergelijking vertelt je óf een punt op een figuur ligt. Een parametervoorstelling doet iets anders: die rekent de punten voor je uit. Je vult een getal in en er komt een punt uit.

Tot nu toe beschreef je een lijn met een vergelijking als y = 12x + 112 (zie Lijnen) en een cirkel met (x − a)² + (y − b)² = r² (zie De cirkel). Zo'n vergelijking is een eis: je vult de coördinaten van een punt in en kijkt of het klopt. Klopt het, dan ligt het punt op de figuur.

Er is een tweede manier om precies dezelfde lijn of cirkel te beschrijven: de parametervoorstelling. Die stelt geen eis, maar rekent de punten uit. Je krijgt er één extra getal bij, en dat getal heet de parameter. Meestal noemen we hem t. Voor elke waarde die je aan t geeft, komt er precies één punt uit. Neem je alle waarden van t bij elkaar, dan krijg je de hele lijn of cirkel.

Het verschil in één zin: met een vergelijking controleer je een punt dat je al hebt, met een parametervoorstelling maak je punten.

Zo ziet een parametervoorstelling van een lijn eruit

Een parametervoorstelling bestaat altijd uit twee regels: één voor de x en één voor de y. In allebei staat dezelfde t. Bijvoorbeeld:

x = 1 + 2t

y = 2 + t

Lees dat zo: kies een getal voor t, reken daarmee x uit, reken daarmee y uit, en je hebt een punt. Doe dat maar een paar keer:

tx = 1 + 2ty = 2 + thet punt
−11 + 2 · (−1) = −12 + (−1) = 1(−1, 1)
01 + 2 · 0 = 12 + 0 = 2(1, 2)
11 + 2 · 1 = 32 + 1 = 3(3, 3)
21 + 2 · 2 = 52 + 2 = 4(5, 4)
31 + 2 · 3 = 72 + 3 = 5(7, 5)

Zet je die punten in een assenstelsel, dan zie je meteen wat er gebeurt: ze liggen keurig op één rechte lijn, met steeds even grote stappen ertussen.

De punten uit de tabel. Bij t = 0 sta je op (1, 2), en elke keer dat t met 1 omhoog gaat, ga je 2 naar rechts en 1 omhoog.

De twee dingen die in een parametervoorstelling zitten

In die twee regels zitten precies twee stukjes informatie, en allebei kun je ze zó aflezen.

1. Het steunpunt: waar je begint. Vul t = 0 in en alle t-en vallen weg; je houdt de losse getallen over. Hier is dat het punt (1, 2). Dat punt heet het steunpunt van de parametervoorstelling: het punt waar je vandaan vertrekt. Je ziet het meteen aan de losse getallen vooraan de twee regels.

2. De richting: welke kant je op gaat. Dat zijn de getallen die bij de t staan: hier een 2 in de x-regel en een 1 in de y-regel. Ze betekenen samen: elke keer dat t met 1 omhoog gaat, ga je 2 naar rechts en 1 omhoog. Precies de stap die je in de figuur ziet. (Dat paar getallen krijgt op de volgende pagina een eigen naam: het heet een vector. Voor nu is "2 opzij en 1 omhoog" genoeg.)

Uit die richting volgt ook de richtingscoëfficiënt van de lijn: die is omhoog gedeeld door opzij, dus 12. Zie Lijnen als je dat wilt opfrissen.

Twee dingen die vaak vragen oproepen:

💡 Eén lijn, oneindig veel parametervoorstellingen

Bij een vergelijking van een lijn ligt bijna alles vast. Bij een parametervoorstelling niet: je mag zélf kiezen waar je begint en hoe groot je stappen zijn. Hieronder staan drie verschillende parametervoorstellingen die allemaal dezelfde lijn beschrijven.

Drie parametervoorstellingen, één lijn. Links die van hierboven. In het midden is alleen het steunpunt verplaatst, dus liggen dezelfde punten er, maar horen er andere t-waarden bij. Rechts zijn de stappen twee keer zo groot én de andere kant op.

Dat betekent iets belangrijks voor je antwoorden: vraagt een opgave om een parametervoorstelling, dan is er niet één goed antwoord. Jouw versie mag er anders uitzien dan die van je buurman en toch allebei goed zijn. Vraagt de opgave om de vergelijking, dan is er wél maar één antwoord (op vermenigvuldigen met een getal na).

De cirkel: hier is t een hoek

Bij een cirkel werkt hetzelfde idee, maar de twee regels zien er anders uit. Rechtdoor gaan levert namelijk nooit een cirkel op; je moet rónd.

Daarvoor gebruik je sinus en cosinus. Op de eenheidscirkel (de cirkel met middelpunt (0, 0) en straal 1) geldt: draai je vanaf de positieve x-as over een hoek t, dan is het punt waar je uitkomt (cos t, sin t). Oftewel: cos t is hoe ver het punt naar rechts ligt en sin t hoe hoog het staat. Zie De eenheidscirkel als dat nog wankel voelt. Die hoek t meet je in radialen: een heel rondje is 2π.

Wil je een cirkel met straal r in plaats van 1, dan maak je alles r keer zo groot: (r · cos t, r · sin t). En wil je het middelpunt in M(a, b) in plaats van in de oorsprong, dan schuif je alles op:

⭕ De parametervoorstelling van een cirkel

De cirkel met middelpunt M(a, b) en straal r heeft als parametervoorstelling:

x = a + r · cos t

y = b + r · sin t

met 0 ≤ t < 2π. Dat laatste erbij zetten betekent: precies één rondje, elk punt één keer.

Neem als voorbeeld x = 2 + 3 · cos t en y = 1 + 3 · sin t. Daar lees je aan af: het middelpunt is M(2, 1) en de straal is 3. De vier punten van de kwartslagen reken je zo uit:

tx = 2 + 3 · cos ty = 1 + 3 · sin thet punt
02 + 3 · 1 = 51 + 3 · 0 = 1(5, 1)
12π2 + 3 · 0 = 21 + 3 · 1 = 4(2, 4)
π2 + 3 · (−1) = −11 + 3 · 0 = 1(−1, 1)
112π2 + 3 · 0 = 21 + 3 · (−1) = −2(2, −2)
2 + 3 · 1 = 51 + 3 · 0 = 1(5, 1)

Bij t = 2π ben je weer terug bij het begin: het rondje is rond. Daarom hoef je t niet verder te laten lopen dan 2π.

De cirkel x = 2 + 3 · cos t, y = 1 + 3 · sin t. Vanaf M ga je eerst 3 · cos t opzij en dan 3 · sin t omhoog; zo kom je bij het punt dat bij hoek t hoort. De vier punten op de rand horen bij een kwart, een halve, een driekwart en een heel rondje.

⚠️ Waar het misgaat

1. t aanzien voor een coördinaat. Bij t = 2 hoort níét het punt (2, iets). t zegt alleen hoe ver je bent; wáár je dan bent moet je nog uitrekenen. Vul t dus altijd eerst in in allebei de regels.

2. Bij een cirkel denken dat t een afstand is. In x = 2 + 3 · cos t staat t binnen de cosinus, en dan is t een hoek in radialen. t = 1 betekent dus: 1 radiaal gedraaid (ongeveer 57°), niet 1 stap opgeschoven. Zet je rekenmachine daarbij op RAD, niet op DEG.

3. Denken dat twee verschillende parametervoorstellingen wel twee verschillende lijnen zullen zijn. Dat hoeft niet, zoals je hierboven zag. Wil je weten of ze dezelfde lijn beschrijven, reken ze dan allebei om naar een vergelijking en vergelijk díé.

Van vergelijking naar parametervoorstelling

Op het examen moet je beide kanten op kunnen. Eerst deze kant: je krijgt een vergelijking en moet er een parametervoorstelling bij maken.

Bij een lijn

Geef een parametervoorstelling van de lijn y = 12x + 112.

Je hebt twee dingen nodig: een steunpunt en een richting.

Een steunpunt vind je door een handige x te kiezen en de bijbehorende y uit te rekenen. Neem x = 1:

y = 12 · 1 + 112 = 2   →   het steunpunt (1, 2)

De richting haal je uit de richtingscoëfficiënt. Die is hier 12, dus: 1 naar rechts en 12 omhoog. Met breuken rekent niemand graag, dus maak je er hele getallen van door allebei keer 2 te doen: 2 naar rechts en 1 omhoog. Dat is dezelfde richting, alleen met een grotere stap.

Nu opschrijven, steunpunt vooraan en richting bij de t:

x = 1 + 2t

y = 2 + t

Controle. Neem t = 2: dat geeft (5, 4). Voldoet dat aan de vergelijking? 12 · 5 + 112 = 4

Staat de lijn in de vorm ax + by = c, bijvoorbeeld 3x + 2y = 12? Dan werkt het net zo. Steunpunt: vul x = 0 in, dat geeft (0, 6). Richting: de rc is −32, dus 2 naar rechts en 3 omlaag. Dat wordt x = 2t, y = 6 − 3t.

Bij een cirkel

Geef een parametervoorstelling van de cirkel (x + 1)² + (y − 2)² = 16.

Hier hoef je alleen maar het middelpunt en de straal af te lezen en in te vullen. Let op het plusteken bij de x: dat hoort bij a = −1. En rechts staat r², dus r = √16 = 4.

x = −1 + 4 · cos t

y = 2 + 4 · sin t     met 0 ≤ t < 2π

Controle. Neem t = 0: dat geeft (3, 2). Invullen: (3 + 1)² + (2 − 2)² = 16 + 0 = 16

📋 Stappenplan: een parametervoorstelling opstellen

Stap 1. Lijn of cirkel? Staat er een én een in, dan is het een cirkel. Staan er alleen losse x en y in, dan is het een lijn. Ga daarna verder in de kolom die bij jouw geval hoort.

📏 Het is een lijn

  1. Zoek een steunpunt. Vul een handige x in de vergelijking in en reken y uit. Elk punt dat op de lijn ligt mag.
  2. Zoek de richting uit de richtingscoëfficiënt m: 1 naar rechts en m omhoog. Is m een breuk, vermenigvuldig allebei dan tot je hele getallen hebt (rc 34 wordt 4 naar rechts en 3 omhoog).
  3. Schrijf de twee regels op: vooraan het steunpunt, bij de t de richting. Met steunpunt (1, 2) en richting 2 opzij, 1 omhoog wordt dat:

    x = 1 + 2t     y = 2 + t

⭕ Het is een cirkel

  1. Zet de vergelijking in de vorm (x − a)² + (y − b)² = r². Staat hij uitgewerkt, splits dan eerst het kwadraat af (zie De cirkel).
  2. Lees M(a, b) en r af. Let op de tekens bij a en b, en bedenk dat rechts r² staat, dus r = √(het getal rechts).
  3. Schrijf de twee regels op, met 0 ≤ t < 2π erbij:

    x = a + r · cos t     y = b + r · sin t

Stap 5. Controleer. Kies een waarde voor t, reken het punt uit en vul dat punt in in de oorspronkelijke vergelijking. Klopt het, dan is je parametervoorstelling goed.

Van parametervoorstelling naar vergelijking: t elimineren

De andere kant op is meestal de lastigste. Je hebt twee regels met een t erin, en je wilt één vergelijking met alleen x en y. De t moet dus weg, en dat heet t elimineren (elimineren = wegwerken).

Bij een lijn

Geef een vergelijking van de lijn met parametervoorstelling x = 1 + 2t en y = 2 + t.

Maak t vrij uit de makkelijkste regel. Kijk waar de t het minste gedoe geeft. In de onderste regel staat gewoon + t, zonder getal ervoor, dus daar is het één stap:

y = 2 + t   →   t = y − 2

Vul dat in in de ándere regel. Overal waar t staat, komt y − 2:

x = 1 + 2(y − 2) = 1 + 2y − 4 = 2y − 3

Werk uit en schrijf netjes op. Meestal wil je y links hebben:

x = 2y − 3   →   2y = x + 3   →   y = 12x + 112

Dat is precies de lijn waar we mee begonnen. ✓ Wil je hem zonder breuken, dan mag ook x − 2y = −3.

🎯 Het invullen moet in de ándere regel

Je maakte t vrij uit y = 2 + t en kreeg t = y − 2. Stop dat niet terug in diezelfde regel, want dan staat er y = 2 + (y − 2), oftewel y = y. Dat is waar, maar je bent niets opgeschoten en de x is nog steeds nergens te bekennen. Je hebt allebei de regels nodig: uit de ene haal je t, in de andere vul je hem in.

Bij een cirkel

Bij een cirkel kun je t niet vrijmaken, want t zit gevangen binnen een cosinus en een sinus. Daar is een andere aanpak voor, en die leunt op één regel die je moet kennen.

🧩 De regel cos²t + sin²t = 1

Eerst de notatie: cos²t is een afkorting voor (cos t)², dus "cos t, en dat in het kwadraat". Hetzelfde geldt voor sin²t.

Waarom is de som daarvan altijd 1? Kijk naar de eenheidscirkel. Het punt bij hoek t is (cos t, sin t), en dat ligt op afstand 1 van de oorsprong. Teken de rechthoekige driehoek eronder: de horizontale zijde is cos t, de verticale is sin t en de schuine zijde is 1. Pythagoras geeft dan meteen:

cos²t + sin²t = 1² = 1

Dit geldt voor élke t. Zie je die som ergens staan, dan mag je hem dus altijd door 1 vervangen.

Geef een vergelijking van de cirkel met parametervoorstelling x = 2 + 3 · cos t en y = 1 + 3 · sin t.

Zet cos t en sin t alleen. Breng het losse getal naar links en deel door de straal:

x − 2 = 3 · cos t   →   cos t = x − 23

y − 1 = 3 · sin t   →   sin t = y − 13

Kwadrateer allebei en tel ze op. Rechts komt dan cos²t + sin²t te staan, en dat is 1:

(x − 23)² + (y − 13)² = cos²t + sin²t = 1

Werk uit. Een breuk kwadrateren doe je boven en onder, dus je krijgt overal een 9 in de noemer:

(x − 2)²9 + (y − 1)²9 = 1   →   (x − 2)² + (y − 1)² = 9 (alles keer 9)

En dat is inderdaad een cirkel met M(2, 1) en r = 3, precies wat we uit de parametervoorstelling al hadden afgelezen. ✓

📋 Stappenplan: van parametervoorstelling naar vergelijking

Stap 1. Staan er een sinus en een cosinus in? Ja, met dezelfde t erin: dan is het een cirkel. Nee: dan is het een lijn. Ga daarna verder in de kolom die bij jouw geval hoort.

📏 Geen sinus of cosinus

  1. Maak t vrij uit de regel waar dat het makkelijkst gaat. Meestal is dat de regel waar geen getal (of een 1) voor de t staat, en nooit een regel waarin t in het kwadraat staat.
  2. Vul die uitdrukking in in de ándere regel. Overal waar t staat, zet je neer wat je net gevonden hebt.
  3. Werk uit tot y = mx + n of ax + by = c.

⭕ Wel een sinus en een cosinus

  1. Zet cos t en sin t alleen. Breng het losse getal naar links en deel door r:

    cos t = x − ar     sin t = y − br

  2. Kwadrateer beide regels en tel ze op. Rechts staat dan cos²t + sin²t, en dat is 1.
  3. Werk de breuken weg. Staat er twee keer hetzelfde getal onder, dan houd je (x − a)² + (y − b)² = r² over.

Stap 5. Controleer. Kies een waarde voor t, reken het punt uit met de parametervoorstelling en vul dat punt in in je nieuwe vergelijking.

Niet alleen lijnen en cirkels

Een parametervoorstelling zit niet vast aan lijnen en cirkels. Zodra je twee formules met een t erin opschrijft, hoort daar een figuur bij, en die hoeft niet recht of rond te zijn. Op het examen zijn lijnen en cirkels verreweg het gewoonst, maar je kunt bijvoorbeeld ook een tegenkomen. Het elimineren gaat dan precies zoals hierboven; alleen je eindantwoord ziet er anders uit.

Een t in het kwadraat: een parabool

Geef een vergelijking van de kromme met parametervoorstelling x = t + 2 en y = t² − 2.

Eerst weer even puntjes uitrekenen, dan zie je waar het heen gaat:

tx = t + 2y = t² − 2het punt
−204 − 2 = 2(0, 2)
−111 − 2 = −1(1, −1)
020 − 2 = −2(2, −2)
131 − 2 = −1(3, −1)
244 − 2 = 2(4, 2)

Bij t = 1 en t = −1 komt dezelfde y eruit, en bij t = 2 en t = −2 ook. Dat komt door het kwadraat, en het is precies wat een parabool doet: links en rechts even hoog.

Stap 1: staan er een sinus en een cosinus in? Nee, dus de linkerkolom van het stappenplan.

Stap 2: t vrijmaken uit de makkelijkste regel. Dat is hier de bovenste, want daar staat t zonder kwadraat. In de onderste regel staat , en daar t uit vrijmaken zou een wortel opleveren (met twee gevallen, plus en min). Dus:

x = t + 2   →   t = x − 2

Stap 3: invullen in de ándere regel.

y = (x − 2)² − 2

Stap 4: uitwerken. Zo mag hij blijven staan; wil je de haakjes weg, dan wordt het:

y = x² − 4x + 4 − 2 = x² − 4x + 2

Stap 5: controleren. t = 1 gaf (3, −1). Invullen: (3 − 2)² − 2 = 1 − 2 = −1

Het antwoord is dus geen lijn maar een parabool, met zijn laagste punt in (2, −2). Dat is ook logisch: het kwadraat dat in de y-regel stond, staat nu in de vergelijking.

De kromme x = t + 2, y = t² − 2. De stippen horen bij t = −2, −1, 0, 1 en 2. Let op dat de stippen naar rechts niet even ver uit elkaar liggen zoals bij een lijn: de x-stappen zijn wél gelijk, maar de y-stappen worden steeds groter.

🎯 Krijg je wel de hele kromme?

Staat er bij de parametervoorstelling een beperking voor t, bijvoorbeeld 0 ≤ t ≤ 2, dan krijg je maar een stuk van de kromme: hier alleen het deel van (2, −2) tot (4, 2). Je vergelijking beschrijft dan méér dan de parametervoorstelling zelf, dus schrijf die beperking erbij.

Let ook op regels waarin t alleen in het kwadraat staat, zoals x = t². Daar komt nooit een negatieve x uit, wat je ook invult. Kijk dus altijd even welke x- en y-waarden er écht uit kunnen komen.

Twee verschillende getallen: een ellips

Geef een vergelijking van de kromme met parametervoorstelling x = 2 · cos t en y = 3 · sin t.

Stap 1: er staan wél een sinus en een cosinus, dus nu de rechterkolom.

Stap 2: cos t en sin t alleen zetten. Er staan geen losse getallen, dus je hoeft alleen te delen:

cos t = x2     sin t = y3

Stap 3: kwadrateren en optellen.

(x2)² + (y3)² = cos²t + sin²t = 1

Stap 4: de breuken wegwerken. En hier loopt het anders dan bij een cirkel:

4 + 9 = 1

Onder de x staat 4 en onder de y staat 9. Die zijn verschillend, dus je kunt ze niet in één keer wegvermenigvuldigen; zo laat je de vergelijking staan. Bij een cirkel staat er twee keer hetzelfde getal voor de cosinus en de sinus, en dan zijn de noemers gelijk en lukt dat wél.

De figuur die hierbij hoort is dan ook geen cirkel maar een ellips: een uitgerekte cirkel. Vanuit het midden is hij 2 breed in de x-richting en 3 hoog in de y-richting, precies de twee getallen uit de parametervoorstelling.

De ellips x = 2 · cos t, y = 3 · sin t. Bij t = 0 zit je op (2, 0), het punt het verst naar rechts, en bij t = 12π op (0, 3), het hoogste punt.

Snijpunten berekenen met een parametervoorstelling

Soms krijg je een lijn als parametervoorstelling en een cirkel als vergelijking, en moet je de snijpunten uitrekenen. Je zou eerst de lijn kunnen omrekenen naar een vergelijking, maar dat hoeft niet. Sterker nog: rechtstreeks invullen is meestal minder werk.

Het idee: een snijpunt ligt op allebei de figuren. Dus het komt uit de parametervoorstelling (bij een bepaalde t) én het voldoet aan de vergelijking. Vul daarom de twee regels van de parametervoorstelling in in de vergelijking. Alle x-en en y's verdwijnen, en je houdt één vergelijking met alleen t over. Die los je op, en met elke gevonden t reken je het punt uit.

Bonus: je weet daarna niet alleen wáár de snijpunten liggen, maar ook bij welke waarde van de parameter je daar bent.

📋 Stappenplan: snijpunten met een parametervoorstelling

  1. Zorg dat je één figuur als parametervoorstelling hebt en de andere als vergelijking. Staan ze allebei als parametervoorstelling, reken er dan eerst één om met het stappenplan hierboven. Gebruik dan wel twee verschillende letters voor de twee parameters, anders haal je ze door elkaar.
  2. Vul de twee regels in de vergelijking in. Overal waar x staat de x-regel, overal waar y staat de y-regel.
  3. Werk uit. Er blijft één vergelijking over met alleen de parameter erin. Bij een cirkel is dat een kwadratische vergelijking; los die op door te ontbinden of met de abc-formule (zie Vergelijkingen exact oplossen).
  4. Vul elke gevonden waarde terug in de parametervoorstelling om de coördinaten van het snijpunt te krijgen.
  5. Controleer door elk gevonden punt in de vergelijking in te vullen.

Vind je geen enkele oplossing, dan snijden ze elkaar niet. Vind je er precies één, dan raakt de lijn de cirkel.

Speel met de parameter

Schuif t heen en weer en kijk waar het punt terechtkomt. Bij de lijn schuift het punt met gelijke stappen langs de lijn; bij de cirkel draait het rond, want daar is t een hoek. Het groene stuk is het deel dat het punt al heeft afgelegd.

x = y = het punt: t in graden:

De grijze stippen bij de lijn horen bij hele waarden van t. Bij de cirkel zie je de hoek t bij het middelpunt meedraaien; na 2π ben je precies weer terug bij het begin.

Uitgewerkte examenopgave

Gegeven zijn de cirkel c met parametervoorstelling x = 3 + 5 · cos t, y = 1 + 5 · sin t (met 0 ≤ t < 2π), en de lijn l met parametervoorstelling x = −3 + 2s, y = 3 + s.

a. Geef een vergelijking van c.
b. Geef een vergelijking van l.
c. Bereken de coördinaten van de snijpunten van l en c.

Merk op dat de cirkel de parameter t heeft en de lijn de parameter s. Dat is met opzet: het zijn twee losse figuren met elk hun eigen parameter, en dezelfde letter zou suggereren dat die iets met elkaar te maken hebben.

Wat je krijgt: de cirkel c en de lijn l. De vergelijkingen en de snijpunten moet je zelf uitrekenen.

a. Een vergelijking van c

We lopen het stappenplan "van parametervoorstelling naar vergelijking" af.

Stap 1: sinus en cosinus? Ja, dus de rechterkolom: het is een cirkel.

Stap 2: cos t en sin t alleen zetten. Het middelpunt is M(3, 1) en de straal is 5:

cos t = x − 35     sin t = y − 15

Stap 3: kwadrateren en optellen.

(x − 35)² + (y − 15)² = cos²t + sin²t = 1

Stap 4: de breuken wegwerken. Onder allebei staat 25, dus dat lukt in één keer:

(x − 3)²25 + (y − 1)²25 = 1   →   (x − 3)² + (y − 1)² = 25

Stap 5: controleren. Neem t = 0: dat geeft (8, 1). Invullen: (8 − 3)² + (1 − 1)² = 25 + 0 = 25

b. Een vergelijking van l

Hetzelfde stappenplan, nu de andere kolom.

Stap 1: sinus en cosinus? Nee, dus de linkerkolom: het is een lijn.

Stap 2: s vrijmaken uit de makkelijkste regel. In de onderste staat gewoon + s, zonder getal ervoor:

y = 3 + s   →   s = y − 3

Stap 3: invullen in de ándere regel.

x = −3 + 2(y − 3) = −3 + 2y − 6 = 2y − 9

Stap 4: uitwerken.

2y = x + 9   →   y = 12x + 412

Stap 5: controleren. Neem s = 1: dat geeft (−1, 4). Invullen: 12 · (−1) + 412 = 4

c. De snijpunten van l en c

Nu het stappenplan voor snijpunten. We hebben de lijn als parametervoorstelling en de cirkel als vergelijking (die vonden we bij a), dus we kunnen meteen invullen.

Stap 1: klaar, want l staat als parametervoorstelling en c als vergelijking.

Stap 2: invullen. In (x − 3)² + (y − 1)² = 25 komt op de plek van x de regel −3 + 2s en op de plek van y de regel 3 + s:

(−3 + 2s − 3)² + (3 + s − 1)² = 25

(2s − 6)² + (s + 2)² = 25

Stap 3: uitwerken en oplossen.

4s² − 24s + 36 + s² + 4s + 4 = 25

5s² − 20s + 40 = 25   →   5s² − 20s + 15 = 0

s² − 4s + 3 = 0 (alles door 5)

Welke twee getallen vermenigvuldigen tot 3 en tellen op tot 4? Dat zijn 1 en 3:

(s − 1)(s − 3) = 0   →   s = 1 of s = 3

Stap 4: terug invullen in de parametervoorstelling van l.

s = 1 → x = −3 + 2 = −1 en y = 3 + 1 = 4   →   (−1, 4)

s = 3 → x = −3 + 6 = 3 en y = 3 + 3 = 6   →   (3, 6)

Stap 5: controleren in de vergelijking van c:

(−1 − 3)² + (4 − 1)² = 16 + 9 = 25 ✓    (3 − 3)² + (6 − 1)² = 0 + 25 = 25 ✓

De snijpunten zijn dus (−1, 4) en (3, 6).

De uitwerking: de cirkel met middelpunt M(3, 1) en straal 5, en de lijn die hem snijdt in (−1, 4) en (3, 6). Die twee punten horen bij s = 1 en s = 3.

Zelf oefenen

Eerst zelf proberen, dan pas uitklappen. Schrijf bij elke opgave eerst op welk stappenplan je nodig hebt, en welke kolom daarvan.

Opgave 1. Geef een vergelijking van de lijn met parametervoorstelling x = 4 − 2t en y = 1 + 3t.

Stap 1: sinus en cosinus? Nee, dus de linkerkolom.

Stap 2: t vrijmaken. Hier staat voor allebei de t's een getal, dus veel verschil maakt het niet. Neem de bovenste regel:

x = 4 − 2t   →   2t = 4 − x   →   t = 4 − x2

Stap 3: invullen in de ándere regel.

y = 1 + 3 · 4 − x2 = 1 + 12 − 3x2

Stap 4: uitwerken.

y = 2 + 12 − 3x2 = 14 − 3x2 = 7 − 112x

De vergelijking is dus y = −112x + 7, of zonder breuk: 3x + 2y = 14.

Stap 5: controleren. t = 0 geeft (4, 1): 3 · 4 + 2 · 1 = 14 ✓ En t = 2 geeft (0, 7): 0 + 14 = 14

De lijn 3x + 2y = 14 met de punten die bij t = −1, 0, 1 en 2 horen. Elke stap in t is 2 naar links en 3 omhoog, want in de x-regel staat −2t.

Opgave 2. Geef een parametervoorstelling van de cirkel x² + y² − 6x + 4y − 12 = 0.

Stap 1: lijn of cirkel? Er staat een x² én een y², dus een cirkel: de rechterkolom.

Stap 2: in de vorm (x − a)² + (y − b)² = r² zetten. De cirkel staat uitgewerkt, dus eerst twee keer het kwadraat afsplitsen (halveer het getal voor de x, zet het in het haakje, en trek het kwadraat er weer af; zie De cirkel):

x² − 6x = (x − 3)² − 9     y² + 4y = (y + 2)² − 4

(x − 3)² − 9 + (y + 2)² − 4 − 12 = 0

(x − 3)² + (y + 2)² = 25

Stap 3: M en r aflezen. Let op het plusteken bij de y: dat hoort bij b = −2. Dus M(3, −2) en r = √25 = 5.

Stap 4: de twee regels opschrijven.

x = 3 + 5 · cos t

y = −2 + 5 · sin t     met 0 ≤ t < 2π

Stap 5: controleren. t = 0 geeft (8, −2): (8 − 3)² + (−2 + 2)² = 25 + 0 = 25 ✓ En t = 12π geeft (3, 3): (3 − 3)² + (3 + 2)² = 0 + 25 = 25

De cirkel met M(3, −2) en r = 5, met de vier punten die bij een kwart, een halve, een driekwart en een heel rondje horen.

Opgave 3. In de figuur hieronder staat een lijn k. De twee gemarkeerde punten horen bij t = 0 en bij t = 1. Stel een parametervoorstelling van k op, en geef daarna ook een vergelijking van k.

Lees af waar het punt bij t = 0 ligt en waar dat bij t = 1 ligt.

Uitwerking van opgave 3

Eerst de parametervoorstelling, met het stappenplan "een parametervoorstelling opstellen".

Stap 1: lijn of cirkel? In de figuur staat een rechte lijn, dus de linkerkolom.

Stap 2: het steunpunt. Dat is het punt bij t = 0, en dat kun je aflezen: (−4, 3). Die twee getallen komen vooraan in de regels te staan.

Stap 3: de richting. Dat is de stap die je zet als t met 1 omhoog gaat, dus van het punt bij t = 0 naar het punt bij t = 1. Van (−4, 3) naar (−1, 1) ga je 3 naar rechts en 2 omlaag. Omlaag is een minteken, dus je krijgt +3 bij de x en −2 bij de y.

Stap 4: de twee regels opschrijven.

x = −4 + 3t

y = 3 − 2t

Stap 5: controleren. t = 1 geeft (−4 + 3, 3 − 2) = (−1, 1), precies het tweede punt. ✓

Nu de vergelijking, met het stappenplan voor elimineren.

Stap 1: sinus en cosinus? Nee, dus de linkerkolom.

Stap 2: t vrijmaken. In de onderste regel staat −2t, in de bovenste +3t; het scheelt weinig, we nemen de bovenste:

x = −4 + 3t   →   3t = x + 4   →   t = x + 43

Stap 3: invullen in de ándere regel.

y = 3 − 2 · x + 43 = 9 − 2(x + 4)3 = 9 − 2x − 83 = 1 − 2x3

Stap 4: uitwerken. De vergelijking is dus y = −23x + 13, of zonder breuken: 2x + 3y = 1.

Stap 5: controleren. Vul allebei de punten in: 2 · (−4) + 3 · 3 = −8 + 9 = 1 ✓ en 2 · (−1) + 3 · 1 = −2 + 3 = 1

Een ander antwoord kan ook goed zijn. Had je bijvoorbeeld (−1, 1) als steunpunt genomen, dan krijg je x = −1 + 3t, y = 1 − 2t. Dat is dezelfde lijn, alleen horen er andere t-waarden bij de punten. De vergelijking komt dan wél weer hetzelfde uit.

De stap van t = 0 naar t = 1: 3 naar rechts en 2 omlaag. Dat zijn precies de getallen die bij de t komen te staan.

Opgave 4. Gegeven de kromme met parametervoorstelling x = t − 2 en y = t² + 2t. Geef een vergelijking van de kromme, en bereken daarna de coördinaten van de punten waar de kromme de x-as snijdt.

Stap 1: sinus en cosinus? Nee, dus de linkerkolom. (Dat het straks geen lijn wordt maakt niet uit: de aanpak is dezelfde.)

Stap 2: t vrijmaken uit de makkelijkste regel. Dat is de bovenste, want in de onderste staat t in het kwadraat:

x = t − 2   →   t = x + 2

Stap 3: invullen in de ándere regel.

y = (x + 2)² + 2(x + 2)

Stap 4: uitwerken.

y = x² + 4x + 4 + 2x + 4 = x² + 6x + 8

Stap 5: controleren. t = 0 geeft (−2, 0). Invullen: (−2)² + 6 · (−2) + 8 = 4 − 12 + 8 = 0

Nu de snijpunten met de x-as. Op de x-as is y = 0, dus:

x² + 6x + 8 = 0

Welke twee getallen vermenigvuldigen tot 8 en tellen op tot 6? Dat zijn 2 en 4:

(x + 2)(x + 4) = 0   →   x = −2 of x = −4

De snijpunten met de x-as zijn dus (−2, 0) en (−4, 0).

Handige extra controle: je kunt het ook rechtstreeks met de parametervoorstelling doen. y = 0 betekent t² + 2t = 0, dus t(t + 2) = 0, dus t = 0 of t = −2. Daarmee wordt x = 0 − 2 = −2 en x = −2 − 2 = −4. Dezelfde twee punten ✓, en je weet nu ook bij welke t je er bent.

De kromme x = t − 2, y = t² + 2t is een parabool met vergelijking y = x² + 6x + 8. Hij snijdt de x-as in (−4, 0) bij t = −2 en in (−2, 0) bij t = 0; zijn laagste punt ligt in (−3, −1) bij t = −1.

Je kunt nu dezelfde lijn of cirkel in twee talen opschrijven en tussen die twee heen en weer vertalen. Op de volgende pagina's van deze hub krijgt het paar getallen dat de richting aangeeft een eigen naam en een eigen rekenmanier: zie Vectoren & het inproduct. Daarna laat je de parameter de tijd voorstellen, zodat je ook kunt uitrekenen hoe snel een punt over zijn baan beweegt.

Blijft t een mysterie?

Parametervoorstellingen voelen raar zolang je t voor een coördinaat aanziet. Zodra dat kwartje valt, is de rest gewoon invullen. Eén-op-één krijgen we dat in één sessie te pakken. Ik geef bijles in wiskunde B: online, of in overleg bij jou thuis. De eerste kennismaking is gratis.

Plan een gratis kennismaking