Lijnen: vergelijking, richtingscoëfficiënt en loodrecht
Zodra een lijn in een assenstelsel ligt, kun je hem in één formule vangen. Met die formule reken je uit waar twee lijnen elkaar snijden, wanneer ze loodrecht op elkaar staan, en hoe ver een punt van een lijn af ligt.
In een assenstelsel heeft elk punt twee coördinaten: de x zegt hoe ver het punt naar rechts ligt, de y hoe hoog het staat. Een punt schrijf je als A(3, 5): eerst de x, dan de y.
Een lijn is een verzameling van zulke punten. De vergelijking van een lijn is de eis waaraan de coördinaten van een punt moeten voldoen om op die lijn te liggen. Neem de lijn y = 2x − 1. Ligt A(3, 5) erop? Vul de x in: 2 · 3 − 1 = 5, en dat is precies de y van A. Dus ja. En B(4, 3)? Dan krijg je 2 · 4 − 1 = 7, en dat is geen 3. B ligt er dus naast.
Op deze pagina leer je zo'n vergelijking zelf opstellen, en wat je er daarna mee kunt: het snijpunt van twee lijnen berekenen, een lijn maken die loodrecht op een andere staat, en de afstand van een punt tot een lijn bepalen.
De richtingscoëfficiënt: hoe schuin staat de lijn
Het belangrijkste getal van een lijn is de richtingscoëfficiënt, bijna altijd afgekort tot rc en in formules geschreven als de letter m. Die vertelt in één getal hoe schuin de lijn loopt: hoeveel de lijn omhoog gaat als je één stap naar rechts zet. Is de rc 2, dan ga je bij elke stap naar rechts 2 omhoog.
Je leest hem af met een richtingsdriehoek: ga vanaf een punt op de lijn een stuk naar rechts, en dan omhoog (of omlaag) tot je weer op de lijn zit. Die twee stukken vormen samen met de lijn een driehoek, en dan is:
rc = hoeveel omhooghoeveel naar rechts
Het maakt dus niet uit welk stuk van de lijn je pakt. De richtingsdriehoeken die je tekent zijn gelijkvormig (dezelfde vorm, andere grootte), en dan blijft de verhouding tussen de zijden gelijk. Zegt gelijkvormigheid je niets meer, kijk dan even bij Rekenen in driehoeken.
De rc uit twee punten
Ken je twee punten van de lijn, dan is de richtingsdriehoek al bijna klaar: het stuk naar rechts is het verschil van de x-en, het stuk omhoog het verschil van de y's. Noem de punten (x₁, y₁) en (x₂, y₂):
rc = y₂ − y₁x₂ − x₁
Voor P(1, 2) en Q(5, 4) geeft dat (4 − 2) / (5 − 1) = 2 / 4, dus rc = 12. Welk punt je eerst neemt maakt niet uit, zolang je boven én onder dezelfde volgorde aanhoudt: (2 − 4) / (1 − 5) = −2 / −4 geeft weer 12.
Wat het teken van de rc betekent
- rc groter dan 0: de lijn stijgt (naar rechts gaat hij omhoog). Hoe groter het getal, hoe steiler.
- rc kleiner dan 0: de lijn daalt. Bij rc = −3 ga je per stap naar rechts 3 omlaag.
- rc = 0: de lijn is horizontaal: je gaat nergens omhoog.
- Een verticale lijn heeft geen rc. Je zou nul stappen naar rechts zetten en toch omhoog gaan, en delen door 0 kan niet.
💡 De rc is een tangens
Teken de richtingsdriehoek met 1 naar rechts en m omhoog. Kijk je naar de hoek die de lijn met de x-as maakt, dan is de overstaande zijde m en de aanliggende zijde 1. Met TOA (tangens = overstaand gedeeld door aanliggend) geeft dat:
tan(hoek met de x-as) = m1 = m
De rc is dus de tangens van de hoek waaronder de lijn loopt. Wil je die hoek weten, gebruik dan tan⁻¹ op je rekenmachine: bij rc = 1 hoort tan⁻¹(1) = 45°, en dat klopt precies met "1 naar rechts, 1 omhoog". Verderop gebruik je dit om de hoek tussen twee lijnen te berekenen. Wil je de tangens opfrissen, zie Rekenen in driehoeken.
Evenwijdig en loodrecht
Twee lijnen die precies dezelfde kant op lopen en elkaar dus nooit snijden, heten evenwijdig. Dezelfde richting betekent dezelfde schuinte, dus:
evenwijdig ⇔ dezelfde rc
De lijnen y = 2x + 1 en y = 2x − 4 zijn evenwijdig: allebei rc = 2, alleen ligt de tweede lager. In de figuur zie je waarom dat hetzelfde is als "dezelfde richting": de richtingsdriehoek is bij allebei precies dezelfde driehoek.
Staan twee lijnen in een rechte hoek van 90° op elkaar, dan noem je ze loodrecht. Het teken daarvoor is ⊥: met k ⊥ l bedoel je "k staat loodrecht op l". Wat gebeurt er dan met de rc?
Kijk naar wat de kwartslag met de stappen doet. Op lijn k ga je 1 naar rechts en 2 omhoog, dus rc = 2. Draai je die pijl een kwartslag, dan ga je 2 naar links en 1 omhoog: het stuk naar rechts en het stuk omhoog wisselen van plek, en één van de twee draait van teken om. De rc van l is dus 1 gedeeld door −2, oftewel −12.
Dat werkt bij elke lijn hetzelfde, en dat geeft de regel die je uit je hoofd moet kennen:
📐 Loodrecht: het product van de rc's is −1
Staan twee lijnen loodrecht op elkaar, dan geldt voor hun richtingscoëfficiënten m₁ en m₂:
m₁ · m₂ = −1 oftewel m₂ = −1m₁
In woorden: de rc van de loodlijn is de omgekeerde rc met een minteken ervoor. Bij m₁ = 2 hoort m₂ = −12, bij m₁ = −34 hoort m₂ = 43. Controleer altijd even: vermenigvuldig de twee, er moet −1 uitkomen.
De uitzondering: een verticale en een horizontale lijn staan ook loodrecht op elkaar, maar daar kun je deze regel niet op loslaten, want de verticale lijn heeft geen rc.
De hoek tussen twee lijnen
Evenwijdig en loodrecht zijn de twee uitersten: de hoek tussen de lijnen is dan 0° of 90°. Daartussen kan hij elke waarde hebben, en op het examen wordt gevraagd die hoek te berekenen. Dat doe je in twee stappen, met de tangens uit het inzicht hierboven.
Stap 1: bereken van elke lijn de hoek met de x-as met α = tan⁻¹(m). Komt daar een negatief getal uit, dan betekent dat gewoon: de lijn helt de andere kant op (hij daalt).
Stap 2: neem het verschil van die twee hoeken. Is dat meer dan 90°, trek het dan van 180° af; je geeft altijd de scherpe hoek tussen de twee lijnen.
Voorbeeld. Bereken de hoek tussen k: y = x + 1 en l: y = −3x + 5.
αk = tan⁻¹(1) = 45° (k stijgt onder 45°)
αl = tan⁻¹(−3) ≈ −71,6° (het minteken: l daalt, onder 71,6° de andere kant op)
verschil = 45° − (−71,6°) = 116,6° (meer dan 90°, dus nog van 180° aftrekken)
hoek tussen k en l = 180° − 116,6° = 63,4°
De controle die altijd werkt: bij evenwijdige lijnen zijn de twee hoeken met de x-as gelijk, dus is het verschil 0°. En staan de lijnen loodrecht, dan komt er precies 90° uit. Verderop kun je dat zelf zien gebeuren in de widget, waar de hoek meeloopt terwijl je sleept.
Er bestaat later in deze hub nog een tweede manier om zo'n hoek te berekenen, zonder tan⁻¹ en zonder gedoe met mintekens: met het inproduct, op Vectoren & het inproduct. Daar heb je de richting van de lijnen voor nodig in plaats van hun richtingscoëfficiënt, en dat werkt ook bij een verticale lijn, die immers geen rc heeft.
De vorm y = mx + n
Tot nu toe ging het over hoe een lijn loopt. Nu de vraag hoe je hem opschrijft. De bekendste manier is:
y = m · x + n
Daarin is m de richtingscoëfficiënt die je hierboven hebt leren kennen, en n de hoogte waarop de lijn de y-as snijdt. Dat laatste zie je zo: vul x = 0 in, dan valt de m-term weg en blijft y = n over. Het punt (0, n) is dus het snijpunt met de y-as.
Bij y = 2x − 1 uit de eerste figuur is m = 2 (per stap naar rechts 2 omhoog) en n = −1 (de lijn kruist de y-as op hoogte −1). In sommige boeken staat er y = ax + b; dat is precies dezelfde vorm, alleen met andere letters.
De andere vorm: ax + by = c
Op het examen krijg je een lijn net zo vaak in deze vorm, met a, b en c gewone getallen:
a · x + b · y = c
Waarom een tweede vorm? Omdat er lijnen zijn die niet in y = mx + n passen: een verticale lijn heeft geen rc, dus daar is geen m voor. In deze vorm lukt het wel, bijvoorbeeld x = 3 (alle punten met x = 3, hoe hoog ze ook liggen).
Je stapt van de ene vorm naar de andere door y vrij te maken of juist naar links te halen. Van 3x + 4y = 12 naar de rc:
4y = −3x + 12
y = −34x + 3 (beide kanten door 4)
Deze lijn heeft dus rc = −34 en snijdt de y-as op hoogte 3. Andersom werkt net zo goed: van y = 2x − 1 maak je 2x − y = 1 door 2x links te zetten en y naar links te halen. Dezelfde lijn, andere jas.
⚠️ Waar het misgaat
1. De rc van de loodlijn wordt −m in plaats van −1m. Dit is dé klassieker. Bij rc = 2 zou de loodlijn dan rc = −2 krijgen, maar y = 2x en y = −2x zijn gewoon elkaars spiegelbeeld in de y-as, en die snijden elkaar niet in een rechte hoek. Reken het na met de regel: 2 · −2 = −4, en dat is geen −1. Het moet 2 · −12 = −1 zijn.
2. De rc verkeerd aflezen uit ax + by = c. In 3x + 4y = 12 is de rc niet 3 en ook niet 34, maar −34. Schrijf de vergelijking eerst om naar de vorm y = mx + n voordat je iets over de rc zegt; dan kan het niet misgaan.
3. De x en de y door elkaar halen bij twee punten. Het verschil in y staat boven de streep en het verschil in x eronder, want de rc is "hoeveel omhoog per stap naar rechts". En houd boven en onder dezelfde volgorde van de punten aan, anders krijgt je rc het verkeerde teken.
📋 Stappenplan: de vergelijking van een lijn opstellen
- Zet de gegevens in een schets. Teken de punten en de lijnen die je krijgt. Dan zie je meteen of de lijn die je zoekt stijgt of daalt, en dat is straks je controle.
- Zoek de richtingscoëfficiënt m. Twee punten gegeven? Neem het verschil in y gedeeld door het verschil in x. Evenwijdig aan een andere lijn? Dezelfde m. Loodrecht op een andere lijn? Dan is m = −1 gedeeld door de rc van die lijn. Staat die andere lijn in de vorm ax + by = c, schrijf hem dan éérst om naar y = mx + n.
- Reken n uit. Vul m en de x en y van één punt van de lijn in in y = mx + n. Er blijft dan één onbekende over: n.
- Schrijf de vergelijking op: y = mx + n. Wordt de vorm ax + by = c gevraagd, vermenigvuldig dan eerst de hele vergelijking om de breuken kwijt te raken en breng x en y naar links.
- Controleer. Vul de gegeven punten in: links moet hetzelfde uitkomen als rechts. En klopt het met je schets (stijgt of daalt de lijn zoals je hem tekende, en snijdt hij de y-as op de goede hoogte)?
Het snijpunt van twee lijnen
Het snijpunt is het punt waar twee lijnen elkaar kruisen. Dat punt ligt op allebei de lijnen, dus het voldoet aan allebei de vergelijkingen tegelijk. Precies daarom kun je het uitrekenen: je zoekt de x en y die in beide vergelijkingen kloppen.
📋 Stappenplan: het snijpunt berekenen
- Schrijf beide lijnen als y = mx + n. Staan ze in de vorm ax + by = c, maak dan eerst y vrij.
- Vergelijk de rc's. Zijn ze gelijk, dan zijn de lijnen evenwijdig en is er geen snijpunt (of vallen ze samen, zie hieronder). Zijn ze verschillend, dan is er precies één snijpunt: ga door.
- Stel de twee rechterkanten aan elkaar gelijk en los x op. Op die x-waarde is de hoogte van beide lijnen namelijk hetzelfde.
- Vul die x in in een van de twee vergelijkingen. Dat geeft de y. Schrijf het antwoord op als een punt: (x, y).
- Controleer door x en y ook in de ándere vergelijking in te vullen. Klopt die ook, dan heb je het snijpunt.
Zo'n paar vergelijkingen dat tegelijk moet kloppen heet een stelsel. Wil je de algemene aanpak van stelsels opfrissen (ook als beide lijnen in de vorm ax + by = c staan), kijk dan bij Vergelijkingen exact oplossen.
Er zijn drie mogelijke uitkomsten, en die kun je aan de vergelijkingen zien:
- Verschillende rc's: precies één snijpunt. Je vindt netjes één x en één y.
- Gelijke rc, verschillende n (evenwijdig): je krijgt een uitkomst die nooit kan, bijvoorbeeld 2x + 1 = 2x + 4 en dus 1 = 4. De x valt weg en er blijft iets onmogelijks staan. Conclusie: geen snijpunt.
- Gelijke rc én gelijke n (samenvallend): het is twee keer dezelfde lijn, alleen anders opgeschreven (zoals x + 2y = 4 en 2x + 4y = 8). Je krijgt iets dat altijd klopt, zoals 0 = 0. Conclusie: oneindig veel gemeenschappelijke punten.
Speel met twee lijnen
Sleep aan de vier rondjes en kijk wat er met de rc's, de hoek en het snijpunt gebeurt. Probeer het product van de rc's op precies −1 te krijgen: dan verschijnt het vierkantje van de rechte hoek in het snijpunt.
Uitgewerkte examenopgave
Gegeven zijn de lijn k met vergelijking x + 2y = 8 en het punt P(4, 7).
a. Stel een vergelijking op van de lijn l die door P gaat en loodrecht op k staat.
b. Bereken het snijpunt S van k en l.
c. Bereken exact de afstand van P tot de lijn k.
a. De vergelijking van l
We lopen het stappenplan voor het opstellen van een vergelijking af.
Stap 1: schets. Die staat hierboven: de lijn k loopt dalend, en P ligt er rechtsboven naast. De lijn l die we zoeken moet loodrecht op k staan, dus die zal juist stijgen.
Stap 2: de richtingscoëfficiënt. Eerst k omschrijven naar de vorm y = mx + n, want in de vorm x + 2y = 8 kun je de rc niet aflezen:
2y = −x + 8 → y = −12x + 4
De rc van k is dus −12. Voor de loodlijn draai je die om en zet je er een minteken voor:
mk = −12 → ml = −1mk = 2 (controle: −12 · 2 = −1 ✓)
Stap 3: n uitrekenen. De lijn l gaat door P(4, 7), dus die x en y moeten kloppen in y = 2x + n:
7 = 2 · 4 + n = 8 + n → n = −1
Stap 4: opschrijven.
l: y = 2x − 1
Stap 5: controleren. Vul P in: 2 · 4 − 1 = 7 ✓. En l stijgt inderdaad, terwijl k daalt, precies zoals in de schets. ✓
b. Het snijpunt S
Nu het tweede stappenplan.
Stap 1: allebei als y = mx + n. Dat hebben we al: k: y = −12x + 4 en l: y = 2x − 1.
Stap 2: rc's vergelijken. −12 en 2 zijn verschillend, dus er is precies één snijpunt.
Stap 3: gelijkstellen en x oplossen.
−12x + 4 = 2x − 1
4 + 1 = 2x + 12x (x-en naar rechts, getallen naar links)
5 = 212x → x = 2
Stap 4: y erbij zoeken. Vul x = 2 in in l:
y = 2 · 2 − 1 = 3 → S(2, 3)
Stap 5: controleren in de andere vergelijking, en meteen in de oorspronkelijke vorm van k:
−12 · 2 + 4 = 3 ✓ en 2 + 2 · 3 = 8 ✓
c. De afstand van P tot k
De afstand van een punt tot een lijn meet je altijd loodrecht naar die lijn toe, want dat is de kortste weg; elke schuine verbinding is langer. Die loodrechte verbinding is precies het stuk PS dat we nu hebben liggen: van P over de loodlijn l naar het snijpunt S. (Dit idee komt terug bij Stellingen en bewijzen, bij de bissectrice.)
De afstand tussen twee punten reken je uit met de afstandsformule, die op zijn beurt gewoon Pythagoras is:
PS = √((4 − 2)² + (7 − 3)²) = √(4 + 16) = √20 = 2√5 ≈ 4,5
Er stond "exact", dus het antwoord is 2√5 en niet het afgeronde 4,5. Zo'n wortel schrijf je zo eenvoudig mogelijk op: uit √20 haal je het kwadraat 4 naar buiten, want √20 = √(4 · 5) = 2√5. Meer daarover staat bij Machts- & wortelfuncties, en wanneer je exact moet antwoorden bij de examenwerkwoorden.
Zelf oefenen
Eerst zelf proberen, dan pas uitklappen. Maak bij elke opgave eerst een schets: dat is stap 1, en het scheelt de meeste fouten.
Opgave 1. Stel de vergelijking op van de lijn door A(−2, 1) en B(4, 4). Geef het antwoord ook in de vorm ax + by = c.
Stap 1: schets. Zie hierboven. B ligt rechtsboven A, dus de lijn gaat stijgen: de rc wordt positief.
Stap 2: de rc. Verschil in y boven, verschil in x onder, in dezelfde volgorde:
m = 4 − 14 − (−2) = 36 = 12
Stap 3: n uitrekenen. Vul punt A(−2, 1) in in y = 12x + n:
1 = 12 · (−2) + n = −1 + n → n = 2
Stap 4: opschrijven. De vergelijking is y = 12x + 2. Voor de vorm ax + by = c haal je eerst de breuk weg door alles met 2 te vermenigvuldigen, en dan breng je x naar links:
2y = x + 4 → −x + 2y = 4 (of, alles maal −1: x − 2y = −4)
Stap 5: controleren. Vul het andere punt B(4, 4) in: 12 · 4 + 2 = 4 ✓. En de lijn stijgt, net als in de schets. ✓
Opgave 2. Gegeven is de lijn m: y = −2x + 5 en het punt Q(4, 3). Stel een vergelijking op van de lijn door Q die evenwijdig is aan m, en van de lijn door Q die loodrecht op m staat.
Stap 1: schets. Zie hierboven. Q ligt rechtsboven de dalende lijn m.
Stap 2: de rc's. De lijn m heeft rc = −2, want hij staat al in de vorm y = mx + n.
- Evenwijdig betekent dezelfde rc, dus m = −2.
- Loodrecht betekent omkeren en het teken omdraaien: m = −1−2 = 12. Controle: −2 · 12 = −1 ✓.
Stap 3: n uitrekenen. Allebei de lijnen gaan door Q(4, 3), dus je vult telkens x = 4 en y = 3 in.
evenwijdig: 3 = −2 · 4 + n = −8 + n → n = 11
loodrecht: 3 = 12 · 4 + n = 2 + n → n = 1
Stap 4: opschrijven.
evenwijdig aan m: y = −2x + 11
loodrecht op m: y = 12x + 1
Stap 5: controleren. Vul Q in bij allebei: −2 · 4 + 11 = 3 ✓ en 12 · 4 + 1 = 3 ✓. In de figuur hieronder zie je het ook meteen: de evenwijdige lijn loopt netjes naast m, de loodrechte kruist hem in een rechte hoek.
Opgave 3. Lees uit de figuur hieronder de vergelijkingen van de lijnen p en q af. Bereken daarna hun snijpunt, en ga na of de lijnen loodrecht op elkaar staan.
Uitwerking van opgave 3
Aflezen. Voor elke lijn kijk je naar twee dingen: waar snijdt hij de y-as (dat is n), en hoeveel gaat hij omhoog per stap naar rechts (dat is m).
- p snijdt de y-as op −3, en gaat per stap naar rechts 2 omhoog (van (0, −3) naar (1, −1)). Dus p: y = 2x − 3.
- q snijdt de y-as op 3, en gaat per stap naar rechts 1 omlaag (van (0, 3) naar (1, 2)). Dus q: y = −x + 3.
Het snijpunt. Nu het stappenplan voor het snijpunt.
Stap 1: beide staan al in de vorm y = mx + n. Stap 2: de rc's zijn 2 en −1, dus verschillend: er is één snijpunt.
Stap 3: gelijkstellen.
2x − 3 = −x + 3 → 3x = 6 → x = 2
Stap 4: y erbij.
y = 2 · 2 − 3 = 1 → snijpunt (2, 1)
Stap 5: controle in de andere vergelijking: −2 + 3 = 1 ✓.
Loodrecht? Vermenigvuldig de rc's: 2 · (−1) = −2, en dat is geen −1. De lijnen staan dus niet loodrecht op elkaar, ook al lijkt het er in de figuur bijna op.
Hoe groot is de hoek dan wel? Met de tangens: p maakt een hoek van tan⁻¹(2) ≈ 63,4° met de x-as, q maakt er tan⁻¹(−1) = −45°. Het verschil is 108,4°, dus de scherpe hoek tussen de lijnen is 180° − 108,4° ≈ 71,6°. Net geen 90°, precies zoals het product al liet zien.
Met de rc, de twee vormen van de vergelijking en het snijpunt heb je het gereedschap voor alle rechte lijnen in een assenstelsel. In de volgende pagina van deze hub komt de cirkel erbij: die krijgt ook een vergelijking, en dan snijd je lijnen met cirkels en zoek je raaklijnen. Dat de raaklijn loodrecht op de straal staat, is dan ineens iets wat je kunt uitrekenen.
Loop je vast met lijnen en coördinaten?
Weten wélke stap je moet zetten (eerst omschrijven, dan pas de rc) maakt het verschil tussen vastlopen en doorwerken. Ik geef bijles in wiskunde B: online, of in overleg bij jou thuis. De eerste kennismaking is gratis.
Plan een gratis kennismaking