HomeExamen › Leerschema

Leerschema: in 8 weken klaar voor het examen

Acht weken, acht onderwerpen, en elke week hetzelfde ritme. Geen boek van voor naar achter, maar een volgorde waarin elk onderwerp leunt op wat je de week ervoor hebt gedaan.

De meeste mensen beginnen hun examenvoorbereiding bij hoofdstuk 1 en komen nooit bij het eind. Dat is zonde, want de onderwerpen die het vaakst op het examen komen staan meestal achterin. Een schema lost dat op: je weet elke week wat je doet, en je hebt aan het eind alles gehad.

Hieronder staat zo'n schema. Eerst het uitgangspunt (waarom oefenen bijna altijd beter is dan lezen), dan het schema zelf, dan per week wat je precies doet, en tot slot hoe je één zo'n week indeelt.

💡 Het uitgangspunt: maken, niet lezen

Uitleg lezen voelt productief. Je begrijpt het, je knikt, je gaat door. Maar begrijpen terwijl je meeleest is iets heel anders dan het zelf kunnen op een blaadje met een klok die loopt.

De vuistregel voor dit schema: voor elke minuut lezen, minstens drie minuten opgaven maken. Uitleg is er om je vlot te trekken als je vastloopt, niet om door te nemen. Elke pagina op deze site eindigt daarom met oefenopgaven; die zijn belangrijker dan de tekst erboven.

Daar hoort een tweede regel bij: een opgave telt pas als je hem zonder terugkijken hebt gemaakt. Heb je de uitwerking erbij gehad, zet er dan een streepje bij en maak hem twee dagen later nog een keer. Pas als het de tweede keer wél lukt, zit het.

Jouw schema

Vul hieronder je examendatum in, dan rekent het schema uit hoeveel hele weken je nog hebt en verdeelt het de onderwerpen daarover. Heb je minder dan acht weken, dan worden er onderwerpen samengevoegd; heb je meer, dan krijg je extra ruimte waar die het hardst nodig is.

    Zonder datum zie je het standaardschema van acht weken. De laatste week eindigt altijd op de dag vóór je examen.

    Week voor week

    Per week staat hieronder wat je doet en welke pagina's erbij horen. De volgorde is niet willekeurig: elk onderwerp gebruikt iets uit de week ervoor.

    1. Startweek: algebra en hoe het examen werkt

    Twee dingen die meteen punten opleveren en die veranderen hoe je de rest van je weken oefent.

    Eerst de 10 algebrafouten: haakjes, breuken, machten en wortels. Dit is geen nieuwe stof, maar precies hier verliezen mensen punten in élk domein. Een opgave over integralen gaat net zo goed fout op een verkeerd weggewerkt haakje.

    Daarna de twee examenpagina's: Examenwerkwoorden (wat "exact", "toon aan" en "bewijs" precies van je vragen) en De formulelijst (wat je krijgt en wat je zelf moet kennen). Doe die nu en niet aan het eind: vanaf hier weet je bij elke oefenopgave wat er van je gevraagd wordt en welke formules je paraat moet hebben.

    De checklist op de formulelijst-pagina is meteen je meetlat voor de rest van het schema. Print hem of zet hem in je notities, en streep elke week af wat er die week bij is gekomen.

    2. Functies: de standaardfuncties

    De families waar alles op het examen uit is opgebouwd: machts- en wortelfuncties, exponentiële en logaritmische functies, en wat er met een grafiek gebeurt als je hem verschuift of uitrekt.

    3. Functies: oplossen en analyseren

    Nu je de families kent, ga je ermee rekenen: vergelijkingen exact oplossen, ongelijkheden, en het gedrag van een grafiek beschrijven.

    4. Differentiëren

    Van "wat is een helling" naar de rekenregels naar de toepassingen. Deze week leunt zwaar op week 2 en 3: je differentieert de functies die je daar hebt leren kennen.

    5. Integreren

    De omgekeerde beweging. Kortere week dan de vorige, dus goede week om achterstand van week 4 in te halen als de kettingregel nog niet zit.

    6. Goniometrie

    Een op zichzelf staand blok: je hebt er weinig uit de vorige weken voor nodig, en het is het onderwerp waar de formulelijst over gaat.

    7. Meetkunde met coördinaten

    De zwaarste week van het schema: zeven pagina's. Ze bouwen wel strak op elkaar voort, dus doe ze in deze volgorde en sla er geen over.

    Heb je meer dan acht weken, dan krijgt juist deze week een extra week erbij; dat is de eerste plek waar het schema uitbreidt.

    8. Hele oefenexamens

    De laatste week maak je complete examens, in één keer, met de klok erbij en de formulelijst ernaast. Dat is iets anders dan losse opgaven maken: je oefent nu ook het schakelen tussen onderwerpen en het verdelen van je tijd.

    Kijk elk examen na en noteer bij elke fout in welke categorie hij valt: rekenfout, verkeerde methode, of "wist het niet". Alleen die laatste categorie vraagt om terug naar de uitleg. De eerste twee vragen om meer opgaven.

    Hoe je één week aanpakt

    Elke week hetzelfde ritme, in drie sessies. Dat is minder werk dan het klinkt, en het werkt beter dan één lange sessie in het weekend.

    1. Sessie 1: kennismaken. Lees de uitleg van de pagina's van die week door en maak de uitgewerkte examenopgave mee op papier. Niet alleen lezen: schrijf de stappen echt op.
    2. Sessie 2: zelf maken. Maak de oefenopgaven van elke pagina, zonder de uitwerking erbij. Sla over wat meteen lukt en noteer waar je vastloopt.
    3. Sessie 3: examenopgaven. Zoek oude examenopgaven over dit onderwerp en maak er twee of drie. Dit is de sessie die de meeste punten oplevert, en dus de sessie die je nooit overslaat als je week uitloopt.

    Sluit elke week af met dezelfde vraag: kan ik de opgaven waar ik vastliep nu wél zonder hulp? Zo niet, neem dan die ene opgave mee naar volgende week in plaats van hem af te vinken.

    ⚠️ Waar het misgaat

    1. Alles lezen en niets maken. Verreweg de meest gemaakte fout. Na een uur lezen heb je het gevoel dat je een uur gewerkt hebt, maar je kunt nog niets extra. Wissel het om: begin met een opgave en pak de uitleg er pas bij als je vastloopt.

    2. Oude examens bewaren "tot je er klaar voor bent". Dat moment komt niet vanzelf. Oude examens zijn je beste oefenmateriaal, juist als je nog niet alles kunt: ze laten precies zien wat je nog mist. Begin er in week 1 al mee, met de opgaven over onderwerpen die je al hebt gehad.

    3. Oefenen wat je al kunt. Dat voelt goed en levert niets op. Als een opgave meteen lukt, sla je de volgende van hetzelfde type over. De tijd gaat naar wat níét lukt.

    4. Achterstand meeslepen. Loopt een week uit, schuif dan niet het hele schema op, maar laat sessie 1 en 2 van die week vallen en houd sessie 3 (de examenopgaven) overeind. Een onderwerp half kennen en er opgaven over gemaakt hebben is meer waard dan het perfect kennen en er nooit een examenvraag over gezien te hebben.

    Wat als het schema niet past?

    Drie situaties die je zelf kunt oplossen. Denk eerst zelf na, klap daarna uit.

    Je hebt nog maar 5 weken. Wat laat je vallen?

    Niets, je voegt samen. Het schema hierboven doet dat automatisch als je je examendatum invult, en wel in deze volgorde: eerst worden de twee functie-weken één week, dan differentiëren en integreren samen, en daarna gaat de startweek op in de functie-week.

    Wat je niet laat vallen, ook niet bij vijf weken:

    Wat je bij weinig tijd wél anders doet: sla sessie 1 (de uitleg doorlezen) over bij onderwerpen die je redelijk beheerst, en begin meteen bij de oefenopgaven. Loop je vast, dan lees je alsnog.

    Je bent goed in algebra maar meetkunde is een ramp. Pas je het schema aan?

    Ja, maar minder dan je denkt. Houd de volgorde intact, want die is er niet voor niets: meetkunde gebruikt de vergelijkingen uit week 3 en de afgeleide uit week 4. Meetkunde naar voren halen maakt het juist moeilijker.

    Wat je wél doet: verdeel je tijd binnen de week anders. Bij een onderwerp dat goed zit sla je sessie 1 en 2 over en doe je alleen sessie 3 (examenopgaven); als die lukken, ben je klaar. De tijd die je zo overhoudt schuif je door naar de meetkunde-week, en die wordt dan twee weken in plaats van één.

    Vul je examendatum in bij het schema hierboven: heb je negen weken of meer, dan doet het schema die splitsing al voor je.

    Je haalt de opgaven op de site wel, maar oude examenopgaven niet. Hoe kan dat?

    Dat is normaal, en het is precies waarom sessie 3 in het weekritme staat. Er zitten drie verschillen tussen een oefenopgave en een examenopgave.

    1. Je weet niet welk onderwerp het is. Bij een oefenopgave onder een uitlegpagina weet je al welke methode je moet pakken. Op het examen staat dat er niet bij. Oefen daarom regelmatig met opgaven door elkaar, niet alleen per onderwerp.

    2. Examenopgaven bestaan uit meerdere onderdelen. Onderdeel c leunt vaak op je antwoord bij b. Eén rekenfout in b kost je dan ook c, tenzij je doorrekent met je eigen (foute) antwoord, wat gewoon mag.

    3. De vraagstelling is compacter. Er staat "toon aan dat" of "bereken exact" in plaats van een uitgeschreven opdracht. Zie Examenwerkwoorden: dat zijn de codewoorden die zeggen hoeveel je moet opschrijven.

    Kortom: dit lost zich niet op door meer uitleg te lezen, maar door meer examenopgaven te maken. Vandaar dat elke week ermee eindigt.

    Een schema werkt alleen als het van jou is. Pak het bovenstaande dus als startpunt en schuif erin tot het bij je uitkomt, maar houd twee dingen overeind: elke week eindigt met examenopgaven, en de laatste week is voor hele examens.

    Liever samen een planning maken?

    Een schema op papier is één ding; weten waar jouw gaten zitten is een tweede. In een kennismaking lopen we door waar je nu staat, en maken we een planning die past bij de tijd die je nog hebt. Ik geef bijles in wiskunde B: online, of in overleg bij jou thuis. De eerste kennismaking is gratis.

    Plan een gratis kennismaking